Onbevangen maar niet naïef

Samenwerken zit ons in de genen. Wordt beweerd. Wij zijn sociale dieren en wij zijn van nature geneigd tot verbinding. Wordt beweerd. Ik ben geneigd om het eens te zijn met deze beweringen. Samenwerking kan soms heel organisch en natuurlijk tot stand komen, en aanvoelen als een logische en vanzelfsprekende manier van doen. Maar regelmatig is het ook andersom en is samenwerking een kuitenbijter en hoofdpijndossier tegelijk. Dan is samenwerking helemaal niet zo logisch en natuurlijk, en kost het bloed zweet en tranen om iets van de grond te krijgen wat ook maar een beetje smaakt naar samenwerking.

Wat mij daarbij regelmatig opvalt is dat we zo’n sterk onderscheid maken tussen hoe wij ons gedragen in ons privé leven en hoe wij ons gedragen in ons werk. Privé lijkt samenwerking iets heel anders dan op de zaak, om het maar kort te zeggen. Ik ken veel voorbeelden van situaties waarin mensen mij in dat opzicht verrassen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan iemand die in zijn vereniging door iedereen wordt herkend en erkend als een echte centrale verbindende figuur, maar die in zijn werk krampachtig soleert en moeilijk toegankelijk is. Of aan een situatie waarbij ik twee ruziënde projectleiders tot een beschaafd gesprek probeerde te verleiden, die – daar kwam ik later achter – in hun privé leven goede bekenden bleken te zijn. En ik verras mezelf ook regelmatig: bij mijzelf bespeur ik in mijn zakelijke omgang soms heel andere reflexen dan ik in de privé sfeer prettig of wenselijk zou vinden. 

Twee verklaringen voor dit verschijnsel liggen voor het oprapen. Zo zijn er bij het aangaan van verbindingen in de zakelijke sfeer zakelijke en financiële belangen in het geding. Die maken dat we ons minder vrijelijk verbinden en minder onbevangen allianties aangaan. Daar is iets voor te zeggen en het is vanuit zelfbehoud en het behoud van je achterban zelfs een goede reflex. Er loopt immers een uiterst dun lijntje tussen onbevangen en naïef. Daarnaast is er ook hiërarchie. We zijn onderdeel van een systeem, dat druk uitoefent en ons stuurt. Onze bewegingsvrijheid is begrensd en gekaderd. Dat maakt ons voorzichtig en waakzaam, en in formele zin ontbreekt ons soms gewoon het mandaat om verbinding aan te gaan.

Ondanks deze voor de hand liggende verklaringen zou ik een pleidooi willen houden voor wat meer onbevangenheid in het zakelijke verkeer. In de eerste plaats ben ik er niet van overtuigd dat onze waakzaamheid altijd functioneel is. Gewenning aan kaders en grenzen maakt onze waakzaamheid niet situationeel maar structureel. Anders gezegd, we lopen het risico – bij langdurige blootstelling aan mandaten en protocollen – structureel risicomijdend te worden als het gaat om het aangaan van verbindingen. En daarmee lopen we kansen mis. In de tweede plaats omdat het ons in zekere mate verleidt tot kunstmatig gedrag. Mijn aanname is dat we daar minder krachtig, minder gelukkig en ook minder effectief van worden. En ook daarmee lopen we kansen mis. En last but not least: we staan steeds vaker voor opgaven die op spanning staan met gevestigde belangen en ingesleten patronen. We zullen ook andere reflexen moeten aanspreken die belangen, patronen, protocollen, mandaten ontstijgen. Die wellicht nauwer aansluiten bij hoe wij als mens verbonden willen zijn met onze omgeving, en de belangen die zich daar voordoen. 

Even voor de goede orde. Mijn pleidooi is niet om maar met Jan en alleman te verbinden en allianties aan te gaan. Dat zou een miskenning zijn van de realiteit. De miskenning namelijk dat een zakelijke context andere eisen stelt aan ons handelen, dat zakelijke belangen er ook toe doen. In een zakelijke context is waakzaamheid geen overbodige reflex, maar onbevangenheid, omgevingsbewustzijn en nieuwsgierigheid zijn dat evenmin. Het is de kunst om daarin te balanceren, en soms kleine risico’s te nemen. Onbevangen, maar niet naïef.