Recht van spreken

Traditioneel was gebiedsontwikkeling en ruimtelijke inrichting het domein van de experts. Zij die daarvoor hadden doorgestudeerd bepaalden wat waar en waarom gebeurde. Zij maakten het ontwerp en specificeerden het bouw- en inrichtingsproces, meestal uit naam van een bevoegd gezag zoals een gemeente. Experts waren gelegitimeerd om te bepalen wat goed was en hun gezag was meestal onomstreden.

 

De tijden zijn veranderd. Inmiddels ligt het initiatief steeds meer bij inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners. Klassieke burgerparticipatie maakt plaats voor vormen van samenwerking. Dat is een goede ontwikkeling, maar er is ook een tegenkant. Zo raken we soms verzeild in een proces waarin geen enkele partij de autoriteit en legitimiteit lijkt te hebben om keuzes te maken en knopen door te hakken. Waarin we samenwerkingstafels samenstellen met belanghebbenden en aan die tafels alleen keuzes maken op basis van een weging van belangen, zonder dat er sprake is van een gevalideerd denkproces. De uitkomst is dan zomaar een compromis waarvan we niet met zekerheid weten of dit maatschappelijk of ruimtelijk een duurzame oplossing is. Aan de ene kant kunnen en willen we dus niet meer alleen experts aan de knoppen zetten, maar we lopen aan de andere kant ook risico’s wanneer we hen geen plek geven en geen gehoor geven aan de expertise die zij ontwikkelen en het denkgereedschap dat zij aanbieden. 

 

Met veel plezier bekeek ik de lezing van Kees Kraaijeveld uit 2017 in de reeks Kwartslag op NPO Start. Hij spreekt daarin zijn bewondering uit voor Bertrand Russell en houdt geïnspireerd door zijn werk een  pleidooi om experts recht te doen en niet te zeer door te slaan in een anti autoritaire houding ten aanzien van kennis en deskundigheid. Ik interpreteer de boodschap van Kraaijeveld ook als een oproep om in deze tijd van participatie, co creatie, samenwerking en inclusie aandacht te hebben voor een gevalideerd gesprek, voor resultaat, maatschappelijke impact en daadkracht. En de rol te waarderen die kennis, deskundigheid, experts en hun denkgereedschap daarbij kunnen vervullen.

 

Het onderwerp dat Kraaijeveld aansneed is heel relevant in mijn wereld van samenwerken in allianties en netwerken. Samenwerking is een sleutelbegrip geworden in het denken over besturen, organiseren, en het ontwikkelen van gemeenschappen. Dat is terecht, maar die grote nadruk op verbinding en samenwerking brengt soms ook met zich mee, dat we ‘iets samen doen’ belangrijker vinden dan het resultaat van onze gezamenlijke inspanning, het proces hoger waarderen dan de maatschappelijke impact, daadkracht offeren aan draagvlak of de onderhandeling snel verkiezen boven een gevalideerd denkproces. In die context kan een keuze of een besluit de uitkomst zijn van een ‘geslaagd’ samenwerkingsproces, maar het is de vraag of het wel leidt tot iets nuttigs, dat aansluit bij een maatschappelijke opgave, of een gefundeerd antwoord is op een gestelde vraag.

Het is een kwestie van balanceren: tussen inhoud en proces, tussen daadkracht en draagvlak, tussen resultaat en vorm. Ik moet ook denken aan Adam Kahane en zijn onderzoek naar Power and Love, macht en liefde. Om in collectieve processen voortgang te boeken, zo stelt hij, zullen we de productieve kant van liefde – verbinding, integratie en harmonie – moeten verbinden met de productieve kant van macht – dingen gedaan krijgen, vooruitgang boeken, effect. Kennis en expertise kunnen als een bron van productieve macht behulpzaam zijn om samenwerkingstafels van ‘joint facts’ te voorzien, perspectief te geven en te behoeden voor tunnelvisie en niet-duurzame besluiten. Om met Kraaijeveld te spreken: benut kennis als positieve autoriteit. Experts hebben geen monopolie op gebiedsontwikkeling, maar wel recht van spreken.

 

Zie ook: Duurzaam samenwerken in gebiedsontwikkeling