We werken beter samen als het urgent is

In 2016 logeerden wij in een hotel bij Capitol Hill in Washington DC. Het was er druk die dagen: veel toeristen zoals wij, en ook veel bezoekers die in de stad waren om hun stem te laten horen op rally’s voor het behoud van ObamaCare, waarover juist die dagen werd gedebatteerd in het Congres, een paar straten verderop op Capitol Hill. Die drukte zorgde voor veel dynamiek in de lobby. Er waren veel inkomende en uitgaande gasten en dat stelde het wat karig bedeelde liftensysteem behoorlijk op de proef. Het leidde tot lange rijen en veel irritatie. De lobby werd een strijdtoneel. Mensen gingen voordringen om toch snel in een lift te stappen. Ze gingen zich strategisch opstellen ten opzichte van de liften om met een snelle beweging een plekkie te veroveren. En ik zag veel geïrriteerde gezichten in de lift als je het laatste plekkie in de lift te benutten om niet nog langer te hoeven wachten. Verder veel geduw en getrek bij het in- en uitgaan van de liften. Ongebruikelijk eigenlijk in Amerika.

De truc is om geen oogcontact te maken met de andere wachtenden; het maakte het gemakkelijker om ongegeneerd het gevecht aan te gaan, het spel te spelen en slimme bewegingen te maken om toch maar zo snel mogelijk dat plekkie in de lift te veroveren. Het zorgde overigens wel voor een ijzige sfeer in de lobby. De liften waren geen ontkomen aan, ze werden een ‘ding’ in mijn hoofd. Ook ík stond op scherp als ik bij de lift aankwam. Ik probeerde nog wel galant te blijven, maar al met al stond ook ik tamelijk opgefokt in die lobby. Als mensen voor zichzelf gaan is dat blijkbaar heel besmettelijk.

Tijdens één van de nachten ging om vier uur het brandalarm ging af. In onze kamer was het gelijk paniek en dat zou je wellicht in het gehele hotel verwachten. Alle ingrediënten daarvoor leken aanwezig: een volle bezetting, en gasten met de adrenaline in het lijf van de dagelijkse ‘survival of the fittest’ bij de liften. Als dan het brandalarm afgaat zal het gevecht in het trappenhuis wel meedogenloos zijn. Ik voorzag beelden van over elkaar buitelende hotelgasten die zich rollebollend een weg naar beneden banen om maar zo snel mogelijk dat hotel te ontvluchten. Het gedoe bij de liften overdag leek mij ineens een goed geregisseerde dagelijkse oefening ter voorbereiding op de situatie waar we ons nu in bevonden.

Maar wat er feitelijk gebeurde was volstrekt anders dan ik had verwacht. Zelden heb ik een grote groep mensen zo geruisloos, zo rustig, zo bedachtzaam en tegelijkertijd zo massaal een gebouw zien verlaten. Er werden deuren voor elkaar open gehouden, er werd contact gemaakt, er werden mensen voorgelaten. Geen geduw en getrek. Integendeel, met veel discipline waren – heel rustig – zo’n 500 mensen in nog geen 15 minuten het hotel uitgelopen.

Toen we daar met z’n allen om kwart over vier in onze pyjama’s op New Jersey Avenue stonden, en met wildvreemden stonden te keuvelen, verbaasde ik me over de rust en de onderlinge verbondenheid. Overigens was het loos alarm en was het de volgende morgen gewoon weer dringen bij de lift.